» VERHALEN » Friese families en de Zuivel 
Genealogie van de familie Brinkman(n)
Een zuivelverhaal

Een Zuivelverhaal
Kees Witteveen, Roosendaal, juli 2012
 

 
Inleiding
Toen Michiel Galama uit Utrecht begin dit jaar aan mij vroeg naar een bijdrage voor de Galama-krant, schreef ik een artikel dat in 2012 werd geplaatst in de Galama-Krant.
Dit artikel gaat behalve over de historie van de zuivelindustrie ook over de Friese katholieke boerenzonen, die beheerder of directeur werden van een zuivelfabriek in Noord-Brabant of andere katholieke regio’s.

 
De geschiedenis van de melkcoöperaties in vogelvlucht
Tot ongeveer 1890 werden de zuivelproducten zoals de boter en de kaas, op de boerderij gemaakt. Vaak was dat het werk van de boerin en de boerendochters. Na 1890 werd de productie verplaatst naar de fabriek. De coöperatieve zuivelfabrieken werden opgericht door de boeren met eigen kapitaal. Toch was deze ontwikkeling in de melkindustrie vaak een punt van discussie. Er was weerstand bij sommige boeren. Hoe moesten de vrouwen – boerin en dochters – hun tijd doorbrengen als de melk naar de fabriek zou gaan? Ze konden toch moeilijk de hele dag op hun stoel blijven zitten!
In de loop der tijd ging men overstag. Uiteindelijk kwam in bijna ieder dorp in de veeteeltgebieden een melkfabriek.
In Friesland waren dat allemaal kaas/boterfabrieken met geringe verkoop van melk, karnemelk en pap. Deze producten werden door de melkboer in de dorpen rondbracht. Deze melkventers waren in dienst van de fabriek of van melkslijters. Melkslijters waren zelfstandige ondernemers.
In het Zuiden waren slechts enkele kaasfabrieken. Daar waren hoofdzakelijk boterfabrieken. In het Westen en rond de grote steden werd naast boter ook gepasteuriseerde melk en gesteriliseerde melk, karnemelk en later yoghurt en vla gemaakt.
Na 1970 ging de verkoop van die melkproducten naar de supermarkten en het assortiment werd veel groter, zie de vele producten in de zuivelvakken van de supermarkten.
Hoe de zuivelindustrie zich in de tweede helft van de vorige eeuw in Nederland heeft ontwikkeld is voor ingewijden wel bekend, maar ik wil ook dat stukje geschiedenis in het kort toevoegen. In de zestiger jaren vorige eeuw begonnen ook binnen de zuivelindustrie de niet tegen te houden fusies met de daarbij horende bedrijfssluitingen. Door die concentraties in de zuivel verdwenen bijna alle melkfabrieken. Van de 102 zuivelfabrieken in Friesland in 1953, zijn er naar ik schat nog drie of vier productiebedrijven overgebleven. Die teruggang geldt uiteraard ook voor de rest van het land. Het doel was te komen tot een doelmatiger zuivelverwerking. Het had veel invloed op de economische structuur van de dorpen op het platteland, vooral in Friesland. Het begin van de verandering in de dorpen. Deze fusies, begonnen, wat het Noorden betreft, in Friesland. Bijna alle coöperatieve melkfabrieken daar sloten zich aan bij Frico, (een zuivelexport-vereniging)) en C.C.F. (Coöp. Condens fabriek Friesland), Frico en C.C.F. exporteerden hun zuivelproducten kaas, boter, gecondenseerde melk, melkpoeder en babyvoeding wereldwijd. Die grote Topcoöperatie ging over de provinciegrenzen en fuseerde met Groningen/Drenthe. De ‘Noord-Nederland’ en de ‘Domo-Beilen’ werden overgenomen. Coberco (Gelderland-Overijssel) sloot zich ook aan en zo ontstond de grote Coöperatie ‘Friesland Dairy’.
‘Friesland Dairy’ ging over de landgrenzen en heeft nu zuivelbedrijven, of deelname daarin, in o.a. Europa en in het Verre Oosten. Thailand, Vietnam, Indonesië, Maleisië, India, China en de Filipijnen.
Na die fusiegolf in het Noorden, aansluitend met het Oosten, volgde de laatste definitieve fusie in Nederland: ‘Friesland Dairy’ met ‘Campina’.
Campina was vanuit Eindhoven al heel groot geworden door fusies met alle coöperatieve zuivelfabrieken in de drie zuidelijke provinciën en daarna door de fusie met het Westen. Ook in het Westen was er, voor de overname door Campina, een grote fusiegolf aan vooraf gegaan, zoals de Coöperaties C.M.C. en ‘Noord-Holland’ met de particuliere ‘Melkunie’. De Melkunie was ontstaan uit de samenvoeging van de particuliere zuivelbedrijven van Noord- en Zuid- Holland en Utrecht.
Tenslotte werden ook de twee laatste particuliere zuivelbedrijven uit het Westen (regio Den Haag) overgenomen door Campina: ‘Menken’ en ‘van Grieken’. Menken was al groot geworden door bedrijfsovernames bijvoorbeeld ‘Landbouw’(Noordwijkerhout) en Hollandia/Nestlé en nog meer.
De overname van particuliere zuivelbedrijven door de Coöperaties (eigendom van de boeren) werd financieel geregeld door de aankoop van de aandelen. Campina heeft ook zuivelbedrijven, of deelname daarin, buiten Nederland (Duitsland en België).

Door de laatste en definitieve landelijke fusie van Friesland Dairy’ en ‘Campina stond het Coöperatieve megazuivelconcern ‘Friesland-Campina’. Zij voeren het predicaat ‘KONINKLIJK’. Dit bedrijf vertegenwoordigt, op enkele particuliere melkfabrieken na, bijna de gehele Nederlandse zuivelindustrie.
Er komt waarschijnlijk concurrentie, lees ik in de Leeuwarder Courant. De gigantisch grote Nieuw-Zeelandse zuivelcoöperatie Fonterra probeert via het Nederlandse zuivel (kaas) bedrijf ‘A-Ware’ 5% van de Nederlandse melkplas te bemachtigen, waarvoor een grote kaasfabriek wordt gebouwd. Enige samenwerking met Friesland-Campina’ lijkt echter niet uitgesloten.

De bedrijfstak zuivel is van groot belang voor de economie van ons land.
De landbouwexport bedraagt jaarlijks ongeveer 73 miljard euro, waarvan circa 10 % zuivelproducten, vooral kaas. Die uitvoer zorgt mede voor een royale plus voor het totale export/import saldo. De 800 miljoen subsidie vanuit Brussel voor de boeren wordt efficiënt besteed.


 
Families uit Friesland in de zuivel
In Friesland woonde een groep katholieke boerenfamilies. Bijvoorbeeld de familie Hettinga, Miedema, Huitema, Galama, Witteveen, Brandsma en nog meer. Er is veel familieverwantschap doordat in die kleine Friese katholieke bevolkingsgroep tot midden vorige eeuw ‘katholiek met katholiek’ en ‘boer met boer’ trouwde. Zij woonden voornamelijk in de Zuidwesthoek van Friesland en in Midden-Friesland.
Allemaal grote gezinnen: tien kinderen was geen uitzondering.
In die grote boerengezinnen was voor slechts enkelen een boerderij en kapitaal beschikbaar om boer te worden.
Het nageslacht werd te talrijk. Ze werden geen boer meer. Deze verandering vond ook plaats in de andere genoemde grote katholieke boerenfamilies. Veel emigreerden (reeds begin 1900) naar Amerika en Canada, anderen gingen studeren, werden ambtenaar of arbeider in o.a. de landbouw. Ze kochten een koemelkersspultsje (melkslijterij). Anderen werden zelfstandig ondernemer als bijvoorbeeld kleermakerij, kruideniers, horeca en tal van andere bedrijven. Meerdere boerenzonen van genoemde katholieke Friese families zochten een baan in de zuivelindustrie. Een logische bedrijfstak voor hen, nauw verwant met het veeteeltbedrijf. Men had tot rond begin 1900 zelf nog boter en kaas gemaakt op de boerderij. Veel werden na een zuivelcursus in Leeuwarden en enkele stagejaren bij Friese kaasfabrieken beheerder of directeur van een zuivelfabriek in het Zuiden of Oosten van het land. Al die boerenzonen konden niet terecht in Friesland. De protestantse eigenaren/leden van de coöperaties, beslisten over de benoeming van een directeur. En alhoewel protestanten en katholieken in Friesland goed met elkaar overweg konden, was tot circa midden vorige eeuw toch een dusdanige controverse dat er alleen niet-katholieke directeuren werden benoemd. Een uitzondering was de katholieke enclave St. Nicolaasga, daar was de katholieke Rijpkema directeur van de coöperatieve zuivelfabriek. Misschien moeilijk voor te stellen in deze tijd, maar toen was er toch enige geloofsdiscriminatie. Er staat tegenover dat in Noord-Brabant en andere katholieke regio’s de protestanten geen kans hadden voor een beheerdersfunctie. Genoemde katholieke zuiveltechnici, die naar het Zuiden gingen, hebben vooral in het begin van de vorige eeuw een stempel gedrukt op de ontwikkeling van de zuivelindustrie aldaar.
De Friezen hadden een goede naam als boter- maar vooral als kaasmakers, zij werden in verband met hun vakkennis daar zeer gewaardeerd.

 
Friese zuivelemigranten richting het Zuiden en het Oosten
De familie Hettinga
De voorvader van de agrarische tak Hettinga is Klaas Reins Hettinga. Hij had meerdere boerderijen in de regio Heeg (zie ook ‘Hettinga Friese Families’) Hij liet na zijn overlijden voor ieder van zijn vier zonen een boerderij na. Door zijn huwelijk met Grietje Witteveen, erfde hij nog een boerderij van zijn schoonvader Tjebbe Cornelis Witteveen. Ook de vier zonen van Tjebbe Witteveen erfden een boerderij van hun vader. Drie generaties lang waren deze nazaten, op enkele uitzonderingen na, boer in Friesland. Het waren gefortuneerde agrariërs. Na drie generaties moesten de nazaten elders emplooi zoeken.

De familie Galama
Ysbrand Galema, kleinzoon Ysbrand Klazes Galema, was boer op ‘Heechhout’ te Bolsward, gehuwd met Elizabeth Kramer. Na het vroege overlijden van Ysbrand is de boerderij overgenomen door zijn schoonvader Frans Kramer. Drie zonen van Ysbrand werden ieder directeur van een zuivelfabriek in Noord-Brabant:
Jan Galema werd na eerst volontair en daarna assistent-directeur in Steenwijkerwold te zijn geweest, directeur in Dongen (N-B). Hierna was hij ruim dertig jaar directeur van de Coöperatieve Tilburgse Melkinrichting CTM.
Frans Galema werd benoemd tot directeur van de zuivelfabriek in Rijen (N-B) en werd daarna directeur van de coöperatieve zuivelfabriek ‘De Hoop’ te Etten-Leur. Daarna kocht hij een particuliere zuivelfabriek in Breda en bleef daar als directeur tot zijn pensionering.
Fonger Galema werd na stages in Heeg en Silvolde, assistent-directeur te Zeddam en daarna directeur in Bornerbroek (Twente). In 1919 werd Fonger Galema benoemd tot directeur van de Coöperatieve Melkinrichting St. Jan te Den Bosch. In 1956 ging hij daar met pensioen en werd opgevolgd door zijn zoon Ysbrand Galema. Onder diens beheer werd, na fusie met Campina, een supermoderne roomboterfabriek gebouwd aan de Zuidwillemsvaart te Den Bosch. Het is de grootste boterfabriek van Europa: zeventig miljoen kilo boter per jaar.

De familie Miedema
Mijn tante Johanna Witteveen was getrouwd met Jan Reins Miedema. Hij was boer in Greonterp. Hun dochter Oeke trouwde met Teake Michiels Galama, boer in de Wieringermeer. Oom Jan Miedema had zes broers: Pieter werd leraar te Utrecht, daarna in Hilversum. De andere vijf broers, kinderen van Rein Pieters Miedema (boer te Greonterp) en Anna Catharina de Boer, werden directeur van een zuivelfabriek:
Johannes Miedema was eerst vijf jaar directeur in Tubbergen en daarna bijna veertig jaar lang directeur van de Coöperatieve Zuivelfabriek De Eendracht te Silvolde in de Achterhoek. In 1944 werd hij opgevolgd door zijn zoon Rein Miedema. Tussen 1963 en1965 bezocht ik Rein meerdere malen vanuit het naburige Gendringen waar ik toen assistent-directeur was.
Herman Miedema was na een opleiding in de melkfabriek in Lichtenvoorde eerst directeur in Chaam en daarna ruim veertig jaar, tot zijn pensionering in 1949, directeur van de Coöperatieve Zuivelfabriek De Eendracht te St. Anthonis (N-B). Herman Miedema werd in 1950 opgevolgd door Herman Witteveen, die de fabriek uitbreide met een kaasfabriek (zie Witteveen).
Gerrit Miedema werd na een stage in o.a. Denekamp, directeur in Herpt (N-B) en werd twee jaar later benoemd tot directeur van de Coöperatieve Zuivelfabriek te Zeddam. Gerrit Miedema was bijna veertig jaar lang directeur in Zeddam.
Simon Miedema was 20 jaar directeur van de Coöp. Zuivelfabriek ‘St. Isidorus’ te Herpt. In 1933 woonde hij in Rotterdam. In 1938 was hij boekhouder van een Koek en Beschuitfabriek in Silvolde.
Joseph Miedema ging na de opleiding Rijkslandbouwschool naar zijn broer Johannes, directeur te Silvolde om te assisteren en het vak te leren. Na die studie en praktijk werd hij van 1918 tot 1931 directeur in Albergen Toen verhuisde hij met zijn gezin naar Leiden en was vanaf 1941 ambtenaar bij het Ministerie van Economische Zaken.
Wobbelina Miedema was de zus van de vijf genoemde Miedema’s, Zij was getrouwd met Wiebe Rijpma uit Workum, hun zoon Johannes Rijpma werd directeur van de Coöp. Zuivelfabriek ‘Het Anker’ in Roosendaal (boter en kaas). Later werd het een grote Melkinrichting. De kaasproductie ging naar Wouw.

Bronnen: Het familieboek Miedema van Gerard Hoekstra en eigen archief

De familie Witteveen
Harm Tjebbes Witteveen, boer te Snikzwaag en Jeltsje Veltman hadden 12 kinderen. De drie zonen Sake, Lodewijk en Kees volgden een zuivelcursus in Leeuwarden, de Zuivelschool van Bolsward bestond nog niet. Zij gingen als volontair werken in zuivelfabrieken in Friesland. Met deze kennis en praktijk gingen ze naar Noord-Brabant en werden daar zuiveldirecteur.
Sake Witteveen is eerst directeur in Chaam en daarna in Zevenbergschenhoek. Het is een fabriek voor boter en consumptiemelk. Maar Sake wil ook kaas maken. Daarvoor haalt hij zijn neef Tjebbe Witteveen, die kaasmaker is, uit Friesland. Neef Tjebbe komt met gezin naar Brabant. Zoon Kees bleef achter in Sneek. De fabriek in Zevenbergschenhoek werd uitgebreid met een kaasmakerij. Via Sake komt ook zijn zwager Frans van Balen uit Irnsum naar Noord-Brabant. Hij werd directeur in St. Oedenrode van een particulier zuivelbedrijf Nutricia. Sake krijgt als directeur van de kaas- en boterfabriek te Zevenbergschenhoek problemen door investeringen die, naar de mening van het bestuur, niet voldoende rendement opleveren, waardoor de melkprijs voor de boeren achterblijft bij die van de omliggende melkfabrieken. Sake vertrekt en begint met succes een margarinefabriek in Vught.
Lodewijk Witteveen werd na het behalen van het zuivelcursusdiploma en leertijd, directeur van de boterfabriek te Alphen bij Tilburg. Hier heeft hij zijn vrouw leren kennen. In 1915 wordt hij benoemd tot directeur in Wouw bij Roosendaal. Deze fabriek was een boterfabriek. Dit bedrijf werd door Lodewijk Witteveen uitgebreid met een kaasfabriek, later volgde nog een uitbreiding met een melkinrichting te Bergen op Zoom. Lodewijk was 39 jaar directeur in Wouw. In 1954, volgde zijn zoon Herman hem op.
Lodewijk kon voor die benoemingen enkele fraaie getuigschriften tonen, hij bracht zelfs een bewijs van goed gedrag van de pastor uit Friesland mee, kortom hij had een prima curriculum vitae.
In onderstaande brief staat de volgende tekst:
    De ondergetekende getuigt gaarne dat Lodewijk Witteveen, onderdirecteur aan de boterfabriek te Warga gedurende zijn
   verblijf aldaar zich steeds braaf en godsdienstig gedragen heeft en getrouw zijn plichten als katholiek vervuld heeft.
   Warga 15 november 1910, De pastoor van Warga, A. Hoogveld



Herman Witteveen had het diploma Zuivelschool. Hij was eerst enkele jaren assistent bij zijn vader en daarna vijf jaar directeur in St. Anthonis. Onder zijn directie werd de zuivelfabriek uitgebreid met een kaasfabriek. In 1955 vroeg men hem terug te komen naar Wouw om zijn vader op te volgen.
Na de sluiting van Wouw werd Herman Witteveen directeur van de Melkinrichting te Roosendaal. Na fusie kwam Herman in de hoofddirectie van Campina in Eindhoven, hij is 2011 op de leeftijd van bijna 93 jaar overleden.
Cornelis Witteveen de derde zoon uit dat boerengezin (Harm en Jeltsje) woonde o.a. in Helmond en was directeur van de Coöperatieve Zuivelfabriek “De Eendracht” te Beek en Donk. Hier was ikzelf van 1960 tot 1963 chef van de kwaliteitsdienst. Kees is in 1906 en 1907 directeur van de zuivelfabriek Beugen/Rijkevoort NB geweest, hij is slechts 34 jaar oud geworden en overleden in 1914 in Utrecht.
Rein Witteveen neef van mijn vader, is een zoon van Harm Witteveen en Trijntje Hettinga, zij waren boer nabij Blauwhuis aan de Hemdijk. Rein werd na de opleiding Zuivelschool Bolsward assistent-directeur te Rossum en daarna directeur van de Coöperatieve Zuivelfabriek “Volharding” te Denekamp
Zijn zoon Andres Witteveen was directeur van de Coöperatieve Zuivelfabriek ‘St. Antonius’ te Groesbeek.
Kees Witteveen (ikzelf dus) is zoon van Hendrik Witteveen en Johanna van der Weide. Mijn ouders hadden een boerderij in Heeg. Ik ben na mijn opleiding Zuivelschool werkzaam geweest in Noord-Brabant, bedrijfsleider geweest in zowel de zuivel- als in de margarine industrie. Hier heb ik twee keer een bedrijfssluiting meegemaakt. Daarna ben ik zelfstandig ondernemer geweest. Voor een verslag van mijn lange loopbaan is hier geen ruimte. Voor mijn toch wel bijzondere carrière verwijs ik naar het boek ‘Mijn Friese Familie’, uitgegeven in 2010, auteur: Ing. C.H. Witteveen.

De familie Brandsma
Dirk Brandsma (Theodorus) is de zoon van Mebius Brandsma en Geertruida Kramer. Zij waren boer in Heeg en Sneek. Dirk werd na een stage in Frederiksoord directeur van de melkfabriek te Didam. Hij kwam naar Didam om met de boeren uit die regio een coöperatieve zuivelfabriek op te richten. Dirk Brandsma overleed op 58-jarige leeftijd.
Hendrik Brandsma, de zoon van Dirk, werd gevraagd als opvolger. Hendrik had vakkennis opgedaan in Steenwijkerwold waar hij woonde. Ook heeft Hendrik Brandsma in Denemarken zich georiënteerd op de zuivel. Na enkele jaren Didam vertrok Hendrik naar Zevenaar om een particulier zuivelfabriekje op te richten waar hij tot zijn overlijden directeur is gebleven. Hendrik had drie zonen die in de zuivel terecht zijn gekomen. Te weten Mebius, Frans en Assuerus.
Mebius Brandsma, volgde zijn vader op in Zevenaar. In de oorlogsjaren is het bedrijf gesloten.
Frans Brandsma is na het vertrek van zijn vader uit Didam gebleven. Hij werd later directeur van de Zuivelfabriek in Venlo.
Assuerus Brandsma was in eerste instantie boer in Tjerkwerd en was gehuwd met Jourika van der Werf. Zij hadden een zoon Hendrik. Deze Hendrik werd tot zijn pensionering directeur van de zuivelfabriek in Denekamp. Hij overleed hier op de hoge leeftijd van 105 jaar.
Wiebe Brandsma, zoon van Obe Brandsma en Anke Andringa. Zijn ouders hadden een boerderij in Roodhuis (Fr). Wiebe was, na de opleiding Zuivelschool, enige jaren assistent-directeur in Hemelum. Hij vertrok naar Noord-Brabant. Hij werd bedrijfsleider van de Coöperatieve Zuivelfabriek ‘Wouw’ te Wouw. Wiebe Brandsma heeft de fusie en sluiting van de fabriek (in 1965) nog meegemaakt, hij had tot zijn pensionering een gelijkwaardige functie bij fusiepartner Campina.




De familie Hettinga
Frans Hettinga was een boerenzoon uit Burgwerd. Hij was de zoon van Klaas Hettinga en Ytje Engwerda. Na de opleiding aan de Zuivelschool werd hij directeur van de zuivelfabriek te Haaksbergen. Ik was daar tijdens mijn zuivelschoolstudie volontair en kreeg van Frans (ik sprak hem natuurlijk aan met: mijnheer Hettinga) de keus om daar rond te lopen en te observeren. Na enkele weken kon ik de melkpoederafdeling runnen en kreeg toen het cao-loon. Daarmee was ik, als student, zeer content.
Mebius Hettinga, ook uit Burgwerd was een jaar directeur van een melkfabriek in Roosendaal. Dit was een particulier bedrijf opgericht door Andreas Brandsma (zie Brandsma). Het bedrijf werd beëindigd en toen kon Mebius Hettinga directeur worden van de zuivelfabriek te Arendonk (België), maar zijn verloofde, Geertruida Engwerda, voelde er niets voor om in België te gaan wonen. Er was nog een boerderij beschikbaar in Friesland, dus ging Mebius terug en werd na zijn huwelijk boer bij Bolsward.
Acronius Hettinga was de zoon van Theo Hettinga en mijn zus Oeke Witteveen. Theo en Oeke waren boer in Cornjum. Acronius studeerde af aan de Zuivelschool. Na zijn studie trad hij in dienst bij Friesland Dairy. Hij was voor deze Coöperatie werkzaam als plantmanager (fabrieksdirecteur) in Vietnam. Hij is momenteel werkzaam in een soortgelijke functie voor Friesland-Campina in België.

De familie Terwisscha van Scheltinga
Titus Terwisscha van Scheltinga was een boerenzoon uit Tirns. Hij ging begin vorige eeuw via Antwerpen naar Noord-Brabant en werd directeur van de coöperatieve zuivelfabriek in Rijen.
Hij overleed veel te vroeg, op het moment dat hij gegadigde was voor de functie van directeur van de grote Melkinrichting CTM te Tilburg.
Jaque Terwisscha van Scheltinga, zoon van Titus was directeur van de zuivelfabriek te Nistelrode en daarna te Hoensbroek.
Ysbrand Terwisscha van Scheltinga, een broer van Titus, was directeur in Leur.

De familie van der Werf
Klaas van der Werf is de zoon van Haye Douwes van der Werf en Sjutje Ysbrands Galema. Zijn ouders waren boer in Tjerkwerd. Klaas was begin vorige eeuw directeur van de coöperatieve zuivelfabriek in St. Oedenrode en in Lier (België). Klaas trouwde met Hilda Aukes kwam in dienst bij de EDAH Supermarkten. Zijn zwager Johan Aukes was hier de directeur.

De familie Dijkstra
Sietse Dijkstra en zijn broer Jelle waren de zonen van Sjoerd Sietses Dijkstra en Apollonia Hylkes Overmeer. De ouders hadden een boerderij in de regio Workum/Heidenskip. Sietse en Jelle waren directeur van respectievelijk de zuivelfabrieken te Gendringen en Woerden. Ik heb op beide bedrijven gewerkt, maar toen waren Sietse en Jelle reeds gepensioneerd. Zoon van Jelle (ook een Sietse) werd directeur van de zuivelfabriek te Deurne.

De familie Andela
Yeb Andela is de zoon van Sjoerd Andela, boer te Cubaard (Fr) en Clazien Galema Yeb. Hij is afgestudeerd aan de Zuivelschool te Bolsward en was directeur van ‘Melkerij Lent’ de Melkinrichting van Nijmegen.

De familie de Boer
Bonte de Boer is de zoon van Pieter Bontes de Boer en Marijke Ypes Wiersma. Zij waren boer te Irnsum. Bonte is een broer van tante Boukje die gehuwd was met oom Kees Witteveen van Spreeuwenstein (Bolsward). Bonte werd na de opleiding Zuivelschool en enkele functies in de zuivel in Twente directeur van de zuivelfabriek te Denekamp, als opvolger van Rein Witteveen.


Briefhoofd van het briefpapier van directeur Rein Harmens Witteveen rond 1932



Tenslotte 1
Ik denk dat ik ze allemaal genoteerd heb. Alle zuiveltechnici, zonen van katholieke boerenfamilies, die vanuit Friesland naar Noord-Brabant en het Oosten gingen. De zuiveltechnici van begin vorige eeuw waren echte pioniers. Zij hebben veel bijgedragen aan de ontwikkeling van de zuivelindustrie.

Tenslotte 2
In 1996 werd de zuivelschool verplaatst van Bolsward naar Leeuwarden en gefuseerd met een grote agrarische onderwijsinstelling voor Hoger beroepsonderwijs: levensmiddelentechnologie, milieu, land en tuinbouw etc. (2000 leerlingen).
Zo werd al 25 jaar eerder de Zuivelschool van ‘s-Hertogenbosch uitgebreid tot een school voor levensmiddelentechnologie, food business, milieu, land en tuinbouw etc. (1400 leerlingen).

terug
 
 
 

Inloggen


 

Aanmelden
meer
 
Privacyverklaring
meer
 
Verantwoording
meer
 
Links
meer
 
Adverteren
meer
 
Contact
meer